zondag, januari 01, 2006

Nieuwjaarsgedachte

Sinds ik de vijfenzeventig gepasseerd ben, betekent het nieuwe jaar elke keer weer vermanning voor me, en ik heb veel meegemaakt. De kerstmalen met de kleinkinderen woelen nog na in mijn darmelijk slagveld of ik zie mijzelf zitten op de bank, incapabel de televisie te zien door een enorme schaal dampende oliebollen. Alle ontwikkelingen in de medische sector ten spijt blijft het mijn oude darmen zwaar vallen om zo veel voeding naar binnen te werken. Maar zoals we vroeger zeiden (mijn stiefdochter kijkt me met een vlammende blik aan als ik het herhaal): ‘in de oorlog zouden we erom gevochten hebben’. En zo grijp ik met lede ogen toch naar de bovenste oliebol.

Ik ben inmiddels redelijkerwijs bekomen van de vermoeienissen van de feestdagen, maar één ding blijft me hinderen. Waarom moet het passeren van alweer een jaar, een gebeurtenis die slechts bij gratie van de conventie bestaat, toch tot zo veel geweld leiden? Er zijn gisteravond weer eens vier mensen overleden in Nederland, aan vuurwerk of geweld dat met vuurwerk te maken heeft. De geloofstraditie achter het afsteken van vuurwerk (het verjagen van demonen) is allang in rook opgegaan, en de enige herinnering die er beklijft is die aan, wederom, de oorlog. Oud en nieuw is nodeloos verworden tot de nieuwe bacchanalia van het plebs. Waarom laten wij het ons massaal welgevallen dat ons volk zich vergenoegd in dat naar zwavel riekende audiovisuele geweld? Ik spreek voor velen wanneer ik ervoor pleit om vuurwerk te maken tot een staatsaangelegenheid.

Reeds enkele dagen voor de D-Day wordt een zekere onrust merkbaar in de straten. Nu nog slechts terloops, als waren de rotjes schuw, resoneren vanuit de steegjes onzer hoofdstad gedempte knalletjes. De herrie zwelt aan tot ondragelijke proporties naarmate de dagen vorderen. Op eenendertig december is het pandemonium compleet. De jeugd weet zich op generlei wijze meer te vermaken achter haar digitale beeldbuizen en tijgt de straten op, ongeduldig en gewapend met plastiek zakken vol herrie. Ik heb vanachter mijn gordijn zo’n groepje jongelingen gadegeslagen. De ganse dag door lopen zij heen en weer tussen de slager en de straathoek, nu eens een klapper naar links, dan weer een piepend monster naar rechts werpend. Passanten, vooral ouderen van dagen, allochtonen en moeders met kinderen, aarzelen even voor ze een dergelijk groepje passeren of lopen er met een boog omheen. Ze hoeven nu nog niet te vrezen, het is nog licht. Ik heb er mijn horloge op nageslagen, en het duurt echt pas tot de duisternis zich aandient; daarna wordt de frequentie opgevoerd en is er geen minuut waarop er geen knal te horen is. Net voor twaalven worden de horden ongeduldig, en zwelt de herrie aan tot een duivels pandemonium dat zal voortduren tot in de vroege uurtjes. Een sulfergeurige nevel bedekt het gezichtsveld, en de knallen en ijle schreeuwen van de vuurpijlen doen denken aan duisterder dagen. Ik vraag mij af of de grimmige onstekers ook de voetballiefhebbers zijn die als beesten schreeuwen wanneer hun ploeg speelt, of dat het juist degenen zijn die dat nalaten.

De milieuverontreiniging daargelaten, zijn er heel wat bezwaren te maken tegen deze vervanging van meer primaire mannelijke bezigheden. Het voornaamste is wel, dat vuurwerk ronduit gevaarlijk is, en levens kost. Daarnaast gaat het in de regel gepaard met alcoholmisbruik, wat weer leidt tot het nog roekelozer rondstrooien van rode klappers. Het moet de Nederlander, die klaagt over stijgende lasten van de gezondheidsverzekering, klauwen vol geld kosten om al die herrie en onlusten te bekostigen. Er wordt, zo vertelde een nieuwslezeres mij, elk jaar vijftig miljoen euro aan vuurwerk afgestoken, en dan hebben we het nog slechts over het legaal ingekochte vuurwerk. Wanneer de rijksoverheid een fractie van deze som zou besteden om per stad, dorp of huizengroep een spectaculaire show weg te geven, op een veilige afstand en met nadruk op de esthetische zijde van de zaak, zou de jaarwisseling voor meer van mijn leeftijdsgenoten een reden zijn om naar buiten te schuifelen. Ze zouden het nalaten zichzelf en hun huisdieren te drogeren, en, hoe labiel ook, weer eens wat verwondering voelen bij het aanschouwen van een nationaal lichtspektakel. Op één januari zullen we nieuwkomers weer recht en schaamteloos in de ogen kunnen kijken, wanneer we het zouden nalaten ons massaal te vergrijpen aan het vuur en de drank. Ik pleit er nogmaals niet voor om Nederland een vrijheid armer te maken, maar juist om Nederland een door de staat verzorgd feest rijker te maken. Nederlanders verdienen het stuk voor stuk om te leven en om feest te vieren. Niet alleen degenen die vuurwerk afsteken, maar allemaal.