zaterdag, januari 07, 2006

Een wandeling door een Portugees heuvellandschap, deel I


Frits en ik liepen eens, het moet zo rond 1973 zijn geweest, door een heuvelachtig landschap in de Alentejo, het gebied dat in Portugal onder de Taag ligt. Ja, het was inderdaad in het jaar voor de Anjerrevolutie, want de boeren in het gebied werkten nog bedrukt op het land zonder dat ze dorstten de opruiende liederen van José Afonso hardop te neuriën. De heuvels zelf zijn er weinig begroeid, maar door de vele rotsen onbegaanbaar. Het is een verlaten land, dat naar droog gras en stof riekt (bijgevoegde foto toont een bijzonder schoon en uitzonderlijk deel van dit gebied). We liepen langs het bescheiden beekje dat er waarschijnlijk al eeuwen op dezelfde wijze meanderde. Het was zomer, dus ondraaglijk warm, en het kostte moeite de heuveltoppen te onderscheiden in het schelle aluminiumlicht. Na zo een stevig uurtje gelopen te hebben, greep Frits plots mijn arm, om me te wijzen op een figuur dat zich door zijn zachte vormen onderscheidde van de rotsen op een zekere heuveltop. ‘Wat is dat, Jozuas?’, vroeg Frits me. Ik kneep mijn ogen dicht om beter te kunnen zien. Het leek mij op het eerste gezicht gewoon een rots te zijn, maar nee. ‘Zullen we even wat dichterbij gaan, ik ben wel benieuwd!’, verzuchtte ik, onderwijl een slok lauwwarm water uit mijn veldfles drinkend. Voorzichtig, om niet uit te glijden, beklommen we de heuvel. Hoger gekomen bleek het een oude man, die eenzaam over de heuvels uitkeek. Zijn zwarte, schapenwollen mantel omgaf hem vrijwel geheel, en liet alleen zijn kale hoofd en lange baard onbedekt. Zijn bewegingsloosheid deed ons even aarzelen hem dichter te naderen – zijn eenzaam zwijgen dwong respect af. Onze nieuwsgierigheid overwon onze schroom, en we stapten op hem af. In mijn beste Portugees – ik heb pas na de Anjerrevolutie een huisje in Portugal gekocht – sprak ik de man aan. Ik vroeg hem allereerst beleefd, of het hem goed verging, en daarna pas of hij wellicht ook het Frans machtig was. Dat is voor Portugezen een gevaarlijke vraag, daar de bovenklasse onder de dictatuur uiteraard Frans sprak – er woonden toen destijds meer Portugezen in Parijs dan in Porto – maar de onderklasse, die na 1974 aan de macht zou komen, afkerig is van het Frans. Zijn ogen flitsten op, keken me aan, en hij antwoordde in een perfect salonaccent: ‘Maar natuurlijk mijn waarde heer!’